Skip to content

In 1968 sprak ik conservator drs. de Groot van het Arnhems Gemeentemuseum in Galerie Mokum Amstel 186 over het beleid van het Arnhems Gemeente Museum voor de komende jaren

februari 14, 2018

Met enige regelmaat krijg ik van academische “kunstliefhebbers” verwijten over mijn polemische stukken betreffende de culturele collegaatjes…(Deel 1)

Met enige regelmaat krijg ik van zelf verklaarde, soms hoog geschoolde of academische “kunst liefhebbers” verwijten over polemische stukken die ik schreef over de beeldende kunst, de literatuur of de fotografie en hun be-oefenaren.

Deze kunstminnaars zijn over het algemeen niet of fragmentarisch geïnformeerd en doorgaans aanhangers van het Rembandt-Vermeer-Van Gogh syndroom. Een historisch-sociologische afwijking, bedacht door romantische kunsthistorici, goed gesalarieerde museumdirecteuren, half geïnformeerde journalisten, zolderkamerdichters en gevoed door teksten van door ‘t fonds der letteren onderhouden staatssubsidie schrijvers.

Zoals wij al bij voorbaat kunnen bedenken niet de meest betrouwbare, onafhankelijke bronnen.

In de literatuur vanaf de tachtigers met van Deyssel als belangrijk voorman wat betreft het schrijven van ironische en scherpe (scheld) kritieken is de trend van polemiseren over literatuur voor goed gezet, met als waardige erfgenamen Ter Braak/DuPerron en na de oorlog W F Hermans met vele jaren later als guitige offspring de neuzelende decadent Gerrit Komrij.

Het in omvang kleine boekje van kunst criticus J.M. Prange “De God Hai-Hai en rabarber: met het kapmes door de jungle der moderne kunst”. Uitgever Heijnis, 1957 en uiteraard al jaren in mijn bezit is een aanval op de mo-derne kunst.

Het gevolg van zijn onterecht vergeten polemische geschrift was de boycot van zijn kunstwerken die nergens meer tentoongesteld konden worden, want ook in die dagen muntte de kunstwereld uit in uniformiteit, volgzaam-heid, gebrek aan eigen denk-beelden en originaliteit en een kritiekloos aanpas sen aan de Grote Internationale Voorbeelden uit de beeldende kunst, gepropageerd door de suprematie van het Stedelijk Museum. Beeldende kunstenaars zijn doorgaans een volgzaam, zelfgenoegzaam, zelden hoog intelligent volkje, niet bepaald behept met veel karakter.

Ik heb er dan ook geen vrienden onder.

Mijn gevoerde polemiek tav collegae in de beeldende kunst (vanaf 1965) resulteerde in een isolement in vooral het behoudende Noorden des lands (Groningen, Friesland en Drenthe) zodat ik geen lid kon worden van kunstenaarsinitiatieven/-verenigingen en nog onlangs dankzij een oordeel van de Groningse gepensioneerde tekenleraar Jan van Loon werd afgewezen voor de Noordelijke groep Quasi realisten, alhoewel de voorzitter verklaarde dat mijn werken aan de stellingen van de doelgroep en deelnemers beantwoorden. Hoe men een en ander met elkaar kan rijmen is mij in elk geval niet duidelijk.

Een onopgemerkte, omvangrijke, mes scherpe kritiek op het fatalisme van- en de wanhoopsgedachte achter de moderne kunst, het boek “Modern Art and the death of a culture” door hoogleraar H.R. Rookmaaker, kende ik in 1976 nog niet, maar wist wel van het bestaan af door een boek van Hal Lindsey waarin hij Rookmaakers m.i. belangrijke werk vermeldde. Uit bronnen vernam ik dat deze studie in de VS meer impact heeft genoten dan in Europa.

Rookmaaker wees benoemingen in de VS af omdat hij zijn taak in Nederland aan de VU belangrijker vond.

Enkele malen mocht ik Rookmaaker mee maken tijdens conferenties en openingen exposities aan de VU. Niet tot mijn grote genoegen, maar dat is een ander verhaal.

De stijl gereformeerde professor (art. 31 vrijgemaakt gereformeerd buiten verband) en mijn volgens sommigen flamboyantere, zuidelijke instelling van Wein, Weib und viel Gesang harmonieerden totaal niet met het kale, sombere, zwaar moedige, deprimerende calvinisme.

Als kunst geen entertainment is hoeft het voor mij niet. Het was vloeken in de kerk van de eigentijdse kunstenaars.

Merkwaardig genoeg is polemiek in de kunsten grotendeels beperkt gebleven tot de literatuur en menen kunstminnaars en – minnaressen dat het verboden zou moeten worden van staatswege om krities over beeldende kunst èn kunstenaars te schrijven door een kunstenaar als Fred van der Wal, menen een aantal ex- Vkbloggers, zoals wij weten niet het meest vredelievende en goed geïnformeerde soort betweters dat op de aarde rond loopt. Een provinciale opvatting is het trouwens om niet over kunst en kunst-collegaatjes te mogen schrijven. Het dictaat van de academisch geschoolde museum directies is hier mogelijk debet aan.

De Friese kunsthistoricus drs. Huub Mous, die nooit heeft kunnen promoveren, meent zelfs dat een beeldend kunstenaar een randdebiele, doofstomme, half- of ongeschoolde dient te zijn, omdat de partieel gestoorde beeldende kunstenaar slechts in beelden zou kunnen denken, net als de Neanderthaler.

Mous weet als half automaat waar hij over praat: menig halfgeschoolde randdebiele talentloze kunstenaar en kunstenares heeft op aanvraag een lovend stukje van onze Friese kunst historicus mogen ontvangen.

Nu zagen veel beeldende kunstenaars in de jaren zestig en zeventig er uit als analfabete holbewoners van de ijstijd in hun haveloze hippie outfits, gehuld in Perzische opoekleedjes met de verplichte haardracht van ongewassen baarden en haren tot op de billen en ronde opabrillen stijl John Lennon, dus de veronderstelling ligt voor de hand.

De idee dat een kunstenaar als edele wilde en onbegrepen ongeschoolde moet worden gezien is een achterhaalde misvatting, alhoewel de beroepswerkeloze ombegaafde Limburgse kunstartiest/ouwe hoer K. Buikie Bokito een rond wandelend bewijs lijkt voor deze opvatting.

Vanaf 1968 sprak ik regelmatig museumdirecteuren, conservatoren, hoogleraren kunst historie, afgestudeerde kunsthistorici van de VU en de UVA, studenten kunsthistorie, dus enige ervaring met het academisch gevormde kunst tuig heb ik wel. In een van onze voormalige huizen woont nu de gepensioneerde kunsthistoricus/-binnen-huiskamer philosooph Dr. G. Birtwistle, Jorn kenner, die tenmisnte één stuk grafiek van laatst genoemde in huis heeft hangen dat hoogstwaarschijnlijk een vervalsing van de hand van GeertJanJansen is. Dr. Birtwistle is me wel een kenner.

Uit het informatieve boekje “De gijzeling van de beeldende kunst” van de zeldzaam scherpzinnige kunst critica Riki Simons wil ik graag even citeren:

De kunstwetenschapper (kunsthistoricus) en de conservator hebben zichzelf laten uit roepen tot profeet onder de profeten. Zo werd de wetenschapper ten slotte zelf een nieuw soort kunstenaar.

Fred van der Wal: Jhr. Sandberg met zijn abstracte scheur, knip en plakwerkjes die een kleuter niet misstaan zouden hebben is daar een aardig voorbeeld van. Kunst Professor Carel Blotkamp, die terecht de Groningse dialect sprekende kitsch schilder Henk Helmantel neer sabelde in een groot artikel in dagblad Trouw en tweede voorbeeld van mislukte nep- en namaak moderne kunst producerend. Hij doet mislukte pogingen de hard edge koele abstractie van Mondriaan en zijn vele volgers te imiteren.

Hoe diep kan een hoogleraar zakken?

Riki Simons: Nu is de komst van een nieuwe museum directeur al genoeg. De run op de nieuwste stromingen, die iedere nieuw directeur onderneemt om zijn eigen naam en ambtsperiode te kunnen verbinden aan eigen “ontdekkingen”, leidt tot een haastig “vlag planten” bij kunstenaars die nauwelijks nog de academie hebben verlaten. (En tot het naar de kelders verbannen van de oogst van zijn voorganger).

In 1968 sprak ik conservator drs. de Groot van het Arnhems Gemeentemuseum in Galerie Mokum Amstel 186 over het beleid van het Arnhems Gemeente Museum voor de komende jaren. De schilders van Galerie Mokum tentoonstelden hun werken begin 1969 in het museum waaronder ook Fred van der Wal, hetgen een Limburgse schilder en zijn Friese vriend GP ooit eens ontkende, doch literatuur te over voorhanden is. Het was de eerst na-oorlogse overzichtstentoonstelling van Jonge Nederlandse realisten. Een belangrijke mijlpaal waar mijn werk prachtig werd gepresenteerd op aparte dieprood gekleurde schotten, tot grote woede van de schilder Teun Nij-kamp, die een even prominente plaats van zijn kleine aquarelletjes eiste tijdens de opening van de tentoonstelling. Hij zou “wraak” op mij nemen, verkondigde hij luidkeels tijdens de opening.

Conservator de Groot, volgens schilder Chris van Geest een rond wandelende varkenskop, vertelde hoe na de realisten tentoonstelling op het moment dat magisch realistisch kunstschilder/ museum directeur Johan Mekkink met pensioen ging alle “rotsooi naar de kelders van het museum zou verdwijnen”.

Onder “rotsooi” verstond de conservator schilderijen van de Magisch realisten Willink, Koch , Schuhmacher, Ket en Hynckes.

Schilderijen die dankzij inspanningen van de kunsthandelaar drs. Loek Brons nu tegen het miljoen op brengen. De verkoop van pornografische video films van zijn echtgenote Miep Brons bracht genoeg op om deze kunsthandel te doen floreren.

De in paginagrote reclames van Brons voor zijn kunsthandel werd begeleid door de veel zeggende platte one liner: Loek verkoopt de schilderijen en Miep schenkt de erwtensoep in

Overbodig te zeggen dat deze kunsthandel geldproleten, plebejers en patjepeeërs aan trok. De stijl gereformeerde 17- e eeuwse epigoon Henk Helmantel voelde zich er zeer thuis, want achter het christelijke kruis heeft altijd de dollar gestaan…

From → Zonder categorie

Geef een reactie

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: