Skip to content

Fragment uit novelle 1998 “Schrijversblokkade”

juni 13, 2017

In het appartement van de auteur ruikt het alsof we in de apenkooi in Artis verkeren. De geur van oud, zweet, gemixed met een half jaar ongewassen. Het tweede interview met hem is om elf uur ’s ochtends en de kunstenaar is net opgestaan na een doorwaakte nacht.

Hij lijkt een door het noodlot geteisterd stripmannetje dat weg gelopen is uit een strip van Crumb.

Hij is net vijftig geworden en de midlife crisis staat op zijn gezicht ge groefd. Voortdurend monomaan mompelend, totdat plotseling uren later hem de moed ontvalt en hij stil valt alsof  de duracell batterijen van een roze speelgoedkonijn zijn uitgeput.

Hij begint te huilen. Zijn ogen zwemmen koortsachtig van links naar rechts en doen mij aan de Belgiese auteur Jef Geeraerts denken waar ik in 1996 bij op bezoek was, toen zijn vrouw Nora door een mysterieuze huidziekte aangetast met een hoofd van twee maal de normale grootte de drankjes in schonk.

Ik dacht dat ik met een marsmannetje te maken had.

Literatuur kan niet gezond wezen.

Uit een blikken doosje, dat hij eufemistisch zijn sigarettenfabriek noemt tovert Frank op hoge snelheid een dagvoorraad filtersigaretten die hij in het Golden Fiction pakje doet. Sigaretten uit de otomaat aan de overkant van zijn huis kan hij zich niet permitteren.

Per dag rookt hij maar liefst negentig zelf gedraaide van de weduwe of uit het Winner pakje.

Om half zeven haalt hij, met het zorgelijk gezicht van een opoetje die net haar  laatste duit van haar AOW-tje heeft verspeeld tijdens de Bingo avond, de aangebroken wijnfles uit de keuken.

In de gootsteen van het aanrecht staan twee maanden af was aan elkaar te rotten. Alleen uit leed wordt literatuur geboren.

Een jonge collega die voor zo ver te zien aan de verdroogde spahhetti resten na een overvloedige spaghetti maaltijd ten huize van de schrijver zijn eerste stickie rookte blijkt een maand geleden te hebben over gege ven, half over het aanrecht, de rest in de spoelbak.

Hij schenkt afgepaste hoeveelheden in stoffige glaasjes, die in een vorig leven als mosterdpotje dienst deden. Alcohol ontsmet, schiet door mij heen als ik een teug neem.

De dichtbundels “Licht ik sla je tot ridderzuur uit de ogen van mijn blindeman” en “Met de lachende schaamscheet aan het pikmeer” verkocht en redelijk tot goed, maar van de opbrengst kan de kachel nog steeds niet roken.

De gedichten, opgedragen aan Rilke, Bukowski en Lorca vertolken een nachtzwart wereldbeeld waarin geen sprankje licht door dringt en daar door bij tijd en wijle zelfs hilaries worden.

Een en al onomkeerbare doffe ellende in een wereld waar moedwil en misverstand de handen ineen hebben geslagen om de auteur het leven tot een kwelling te maken.

Achterhaalde ouderwetse stuff, stijl Sartre en Camus maar dan enkele klas sen minder.

In zijn verhalenbundel is vooral treffend het verhaal “Draagtekens en komkommaars” een pakkende story zonder interpunktie, naar de mode van de vijftiger en begin zestiger jaren.

Het verhaal begint met een hartgrondig “Godverdegodverdomme. Ik sloeg de luiken open, de stank van koeienmest en het meedogenloze zonlicht stompten onverbiddellijk in mijn ongeschoren, grauwe artiesten bakkes. Mijn korstige, rood aangelopen ontstoken ogen keken knipperend en wantrouwend de wereld in en weer zou een moeizame dag loodzwaar beginnen. Geluk was niet meer dan elke ochtend een drol te draaien en bij de eerste ochtendrochel een klodder donker rood bloed op te spuwen in de witte keramiek wasbak …Ik keek in de spiegel en grijnsde gemeen.

Een van mijn saffraangele snijtanden was dankzij het nachtelijke tanden knarsen tot op het tandvlees afgebroken.

Ik ging zitten op het bed.

Een geelbruine natte vlek van zestig centimeter doorsnee op het witte laken was het resultaat.

Dat kwam door al dat biergist slikken, daar kreeg je natte benen van. Bil lensjuu!

De hoofdrolspeler in een van zijn verhalen wordt bijna gek en knoopt tijdens het zo veelste delirium zijn twee katten met de staarten aan elkaar en gooit ze over de waslijn en kijkt toe hoe ze elkaar krijsend af maken. Sadisme jegens dieren, vrouwen, meisjes en kleine kinderen spelen in zijn dwingende verhalen de hoofdrol.

De grootste rol in de verhalen is uiteraard voor de auteur als eeuwige loser zelf weg gelegd, want wie kan beter uit ervaring een uitzichtsloos inktzwart wereldbeeld scheppen dan hij?

Reeds als kleuter van vier knutselde hij zijn eerste guillotine in elkaar waarmee hij zijn hamster onthoofde.

In de zesde klas van de lagere school schiet hij met een punt 38 special per ongeluk een vriendje de helft van zijn gezicht weg. Een paar centi meter verder en zijn hele kop was er afgeknald.

Het dwingende verhaal “Gaskamervakantie” vertelt over Marc Grosz

scnickel, een na de oorlog geboren Duitse Jood, zoon van een violist Nathan Groszschnickel.

Marc, jaren lang van beroep grafisch ontwerper bij een conservatieve streng christelijke uitgeverij ziet het leven niet meer zitten.

Hij wordt tekenleraar (wie te stom is voor de universiteit en te laf voor de handel wordt vanzelf tekenleraar) na zijn vervroegde pensionering van job en van wijf verandert om als amateur schilder in gereformeerde kerken en synagoges zijn werken te exposeren.

From → Zonder categorie

Geef een reactie

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: