Skip to content

Mijn vriendin heette Mercedes de Barcelona maar ik had geen rijbewijs, daar lag het aan…

januari 30, 2012

Mijn vriendin heette Mercedes de Barcelona maar ik had geen rijbewijs, daar lag het aan…

Een interview met auteur Frank Forrest, in de letterlijke betekenis van een informatief, verhelderend vraaggesprek is totaal onmogelijk. Zijn leven is net als zijn huis een chaos en zijn zoveelste vriendin, de aantrekkelijke, exoties ogende zuid Amerikaanse Mercedes de Barcelona is al lang gillend bij hem weg gelopen. Hij vindt dat vanzelfsprekend, want hij heeft geen rijbewijs, dus een vrouw met de voornaam van een elitair otomerk, dat moet wel botsen. Hij aanvaardt haar vertrek als een niet te bestrijden natuurverschijnsel. Een terminale ziekte waar geen remedie voor is.
Bijna elke vraag beantwoord hij met een stortvloed aan ongeloofwaardige mededelingen en aanvankelijk wordt zijn betoog geschilderd in geestdriftige bewoordingen, maar gaat steeds vaker uit als een nachtkaars naar mate het intervjoe langer duurt. Snikkend maakt hij zo nu en dan zijn zinnen af als zijn emoties hem te veel worden, hij gunt zich zelf nauwelijks de tijd om adem te halen tussen de treffende one liners door.
De afgebeten zinnen komen tussen zijn samengeknepen lippen uit met de snelheid van een mitrailleur. Hij zegt pas goed op topsnelheid te schrijven bij de staccato gitaar klank en van rock’n roller Chuck Berry of de pumping piano van Jerry Lee Lewis. Op één dag twintig, dertig paginas produceren is niets voor hem, peanuts, daar draait hij zijn hand niet voor om, dat is een absoluut minimum voor iedere auteur, vindt hij, daar is geen discussie over mogelijk. Wie niet veertien uur per dag schrijft is geen schrijver, maar een letterknecht, een inktkoelie, een journalist en journalisten zijn hoernalisten die modieuze jasjes dragen die met elke wind mee waaien. Wie niet achttien uur per dag schildert is geen kunstenaar, daar is hij het mee eens met de in EO kringen beroemde Gro ningse Henk Duvelsjas de kapitaalkrachtige kitschschilder uit Westeremden die in de pers ‘miljonair op klompen’ werd genoemd vanwege zijn gierigheid en de daarmee ge paard gaande gereformeerde boerenhuftersmanieren.
Over het kreatieve proces dat aan de vuistdikke werken van Frank Forrest ten grond slag ligt raakt de auteur maar niet uitgepraat. De mode van dunne boekjes, nee, daar doet hij niet aan mee! Hij is de dolgedraaide, uitgerekende copywriter Heere Heeresma niet. Nee, dan heeft hij heel wat meer waardering voor de barokke taal erupties van Marcus Heeres ma, in plaats van het verwrongen, krampachtige proza van diens broer Heere.
Frank is niet erg samenhangend in zijn verhaal tijdens het vraaggesprek. Om soms in zijn betoog op zijwegen te belanden, te vervallen tot een indringend, geheimzinnig ge fluister alsof hij bang is afgeluisterd te worden door collegas. Overal schuilt de vijand in zijn optiek. Feind hört mit, beweert hij meer dan één keer die middag. Hij is niet altijd te volgen en wisselt snel van onderwerp. Bezeten van vrouwen, mannen en literatuur is hij. Een literaire alleseter en als bisexueel een sexuele omnivoor, die het moeilijk vindt om voor een en hetzelfde geslacht te kiezen. Variatie moet er zijn, zegt hij stellig. Hij ziet overal de charme van in, beweert hij. Een rond wandelende encyclopedie van de blues en de rock ’n roll, dat is hij.
In zijn warrig ogende, door wit haar omkranste hoofd huist een duizelingwekkende hoeveelheid aan platentitels, releasedata en namen van obscure artiesten die soms vroeg zijn gestorven en bij voorkeur een slordig gevoerd, ongelukkig leven leidden, zoals Hound Dog Taylor & The Houserockers, Reverend Gary Davies en Elmore James. Beze ten van erotiek in al zijn veelkleurige vormen is hij voor alles in. Zijn religie is sex; zijn tempel het geheime paradijs in de verwilderde, braak liggende, openbaar toegankelijke tuinen die zich volgens hem bevinden tussen de dijen van zijn honderden minnaressen en minnaars. De geur van het duizelingwekkende geheim van man en vrouw snuift hij met liefde verhit op. Over de aard van dat geheim kan hij niets mededelen, want het is een ervaringswetenschap, zegt hij geheimzinnig. Wij nemen het voor kennisgeving aan.
Hij heeft weinig geld en eet daarom ieder weekend bij zijn hoog bejaarde, excentrieke grootmoeder die ondanks haar negentig jaar nog steeds secretaresse van de Society For Parapsychological Research is en uit dien hoofde met gelijkgezinden spritistiese seances houdt in de grote, donker groen geschilderde Heemsteedse villa uit het begin van de twin tigste eeuw, die aan een lommerrijke, rustige zijlaan van de Heemsteedse Dreef ligt, waar een inwonende, ongehuwde, verbitterde tante met drie nerveuze getrimde witte poedels dankzij bakken luminal kalm gehouden worden en even hulpeloos als gedro geerd wankelend op hun geschoren poten door de villa rond scharrelen om overal in de vertrekken hun behoeftes te doen.
De beide bewoonsters zien hem liever gaan dan komen. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd, zeggen ze. Maar het ergste is dat hij al negen maanden geen letter op papier heeft gekregen en uit de redactie van het literaire maandblad Somnabule is gezet door gebrek aan produktie en het verrichten van een minieme hoeveelheid aan redactionele werkzaamheden. Ondermijnende activiteiten zijn hem niet geheel vreemd, beweren de overige redacteuren unaniem. Zijn gewoonte om steeds een warmwaterkruik of een zuig fles met roze speen mee te nemen, gevuld met wiskey in plaats van warm water of zoete melk wekte steeds meer irritatie op bij de overige redactieleden, daar Frank de vergade ringen verstjeerde door al gauw kwaadaardige opmerkingen over collegas te maken on der invloed en vervolgens over te gaan op gelal. Toen hij de hoofdredacteur Bibo van Bockul steeds vaker Bokkelul ging noemen en beweerde dat zijn hoog rode kop een niet gevulde hoge drukpan was die op ontploffen stond was het genoeg werd hij geroyeerd tijdens een laatste roerige bijeenkomst met algemene stemmen.
“Waar Frank Forrest verschijnt is het gelijk ruzie en komt het nooit meer goed” ver zucht een van de overige redaktieleden, die zijn naam liever niet genoemd ziet worden als ik hem opbel. De practical jokes en de meedogenloze wraakacties van Frank zijn al om bekend en niemand wordt in schrijversland graag het zoveelste slachtoffer van zijn paranoïde wanen en eeuwig durende rancunes. Frank wierp menig betontegel of fles benzine met brandende lont bij nacht en ontij door andermans raam als hem even iets niet beviel, waarbij hij zich onder invloed van drank en verdovende middelen nogal eens ver giste in het adres en dat de Enschedese recherche hem nog steeds als mogelijke verdach te van de vuurwerkramp op het oog heeft vindt Frank heel vanzelf sprekend, alhoewel hij zegt van de prins geen kwaad te weten, terwijl hij met zijn wijsvinger zijn ooglid om laag trekt waardoor hij plotseling een behoorlijk lepe indruk maakt en Uw verslaggever even begint te twijfelen aan zijn integriteit als mens achter de auteur.
Verwilderd kijkt hij mij bij het open doen van de voordeur aan en zegt: “Ik dacht dat er een aantrekkelijke juffrouw zou komen en geen meneer…ik zit toch al zo omhoog!” Hij is ondanks het late uur nog steeds in pyama gekleed. Zijn gulp wijkt en laat een overvloe dige schaambos en het begin van zijn manlijkheid aan de basis zien. Het formaat is aan zienlijk. Hij zou met veel succes in een porno film kunnen spelen als hij niet te geremd was. De camera houdt niet van hem en hij niet van de camera, dus gaat dat in elk geval niet door, zegt hij. Hij vermeldt dat hij meestal de hele dag in een gestreepte pyama loopt, om dat het weinig zin heeft als alleen staande man om zich aan te kleden. Voor wie zou hij het doen? Voor zijn vier katten? De postbode, een dwingende Jehovagetuige, de gasmeter opnemer of de buschauffeur die altijd bij Mooie Paal stopt als hij opstapt om naar de provinciehoofdstad te gaan om bij Supermarkt de Boer voor een maand lang pakjes oplossoep in te slaan? De buren vroegen op een ochtend op medelijdende toon aan hem of ze boodschappen voor hem konden doen, want ze dachten dat hij chro nies ziek was omdat hij de hele dag in pyama rond liep, ook als hij de tuin in ging om de post te halen uit de brievenbus bij zijn hek. Zijn ex-vrouw, een criminologe, is al lang weg gelopen omdat hij midden in de nacht inspiratie krijgt en dan luidruchtig wordt bij het schrijven van gedichten, dat gaat met veel lawaai gepaard bij orgelmuziek van Bach op orkaansterkte, waardoor zij op haar beurt weer van haar nachtrust beroofd werd. En dat ze dat niet hoefde te accepteren als geemancipeerde vrouw. Tafels en stoelen worden nog al eens omgegooid in zijn scheppingsdrift als hij tijdens een impasse de ka mer driftig rond banjert. Alles en iedereen moet wijken voor zijn grote, miskende talent. Ondertussen druk verder pratend gaat hij mij voor naar zijn huiskamer. Tegen een wand staan een dozijn op spaanplaat geplakte groot formaat kleurenfotos van een naakte jonge vrouw die model heeft gestaan voor zowel zijn laatste roman als voor zijn kleinbeeld camera. Ik schat haar op achttien, hooguit negentien jaar. Tot voor kort fotografeerde hij alleen architectonische constructies zoals wolken krabbers in New York, hij is van jongs af aan gebiologeerd door de fotografie, maar nu heeft hij op vijftigjarige leef tijd de vrouw ontdekt als zijn enige subject matter. De lokroep van het jonge, naakte vlees is voor hem onweerstaanbaar en hij voelt zich door zijn leeftijd als een Odysseues, vast gebonden aan de mast te midden van de gillende sirenen. De naakte dame op de fotos is de hoofdpersoon uit zijn laatste boek “Weerlicht”. Beschaamd en wat geagiteerd draait hij snel het dozijn naaktfotos om zodat ik niet meer kan genieten van de weelderige schaambos en wulpse borsten met jampotdekselgrote tepelhoven op de foto. Het meisje straalt de overbekende netgeneukt blik uit en is niet ouder dan achttien jaar, zegt hij. Ouwe geile bok, denk ik, wat wil je nog met je uitgezakte dikke pens en je open gulp. Voor jou zijn er hooguit de tuberculeuze seropositieve oostblokhoeren van de Keilen weg en de Weaze, waarschijnlijk nauwelijks neukbereid, zelfs niet tegen adekwate betaling of ze moeten hoognodig een shotje zetten om verder te freewheelen naar de roze wolkjes en de luchtkastelen van het junkie bestaan.
De auteur is direkt herkenbaar aan zijn merkwaardige stem die hem steeds lijkt op te zwepen tot conversatie in een nog hogere versnelling. Soms doet hij mij aan Martin Ros denken. Hij beweert nooit vervelender schrijvers te hebben gelezen dan Multatuli, Mu lisch, Reve, Claus en Vestdijk. Noemde Gerard Reve hem niet “een griezelig intelligente jong en”? Het heeft hem niets opgeleverd die opinies. Collegas? In je gezicht glimlachen ze, smeren ze stroop, de honing is dan spotgoedkoop maar als je je omdraait spuwen ze op je hielen een roomsgele kwat. In de Nederlandse literatuur heeft hij doorgaans al helemaal niets te zoeken. Zijn boeken verkochten niet, dus was hij noodgedwongen af hankelijk van het fonds voor de letteren. Tegelijkertijd voelde hij de intense vernedering van het ophouden van zijn hand bij de overheid, een vorm van bedelarij waar andere mensen op neer keken en door wie hij er altijd op is aange sproken met de weinig op beurende woorden: “Jij krijgt toch maar lekker gratis geld voor niks en niemendal en wij niet! Wij moeten er voor werken!” Minachting alom was zijn deel, niet in de laatste plaats van zijn weinig aangename familie. Zijn moeder heeft hij sinds zijn eerste levens jaar niet mee gemaakt. Hij werd gedumpt bij de grootouders waar hij een helse jeugd door maakte. Ze peperden hem in dat hij geen rechten, wel plichten had. Zijn zakgeld werd hooguit uitbetaald in klappen en schoppen.
Een bestaan als gelauwerd auteur leek hem aanvankelijk zo aantrekkelijk, in de onbe vangen aanloop van zijn carrière, toen hij op een kamer van drie bij vier meter in het centrum van Amsterdam woonde en een huur betaalde van nog geen veertig gulden per maand. Zelfs in de silver sixties een schijntje.
En in het vragen uurtje na de lezing die hij onlangs hield voor een gezelschap E.O. leden ter promotie van zijn laatste boek ontbrak niet die veel gestelde vraag die door de som bere aanhangers van Calvijn immer op beschuldigende, verwijtende toon wordt gesteld: “En waarom bent U eigenlijk schrijver geworden? Was U soms nergens anders geschikt voor? En waarom rijd U net als Remco Campert geen auto? Bent U soms homoseksju weel? U schijnt niet te roken, maar om welke reden? Zwakte op de longen? ” Vragen die hem nog steeds in verlegenheid brachten en het schaamrood naar zijn kaken joeg. Hij wist nog steeds de antwoorden niet. Hij zou het wel nooit weten, dacht hij meestal. Wat had het ontbreken van een auto te maken met een homoseksjuwelen inslag? Hij impro viseerde meestal een antwoord op die vraag ter plekke. Elke keer verzon hij iets anders. Dat zag hij als een literaire oefening. Op zo’n avond mag je toch ook geen antwoord schuldig blijven aan de vraagsteller. Het zou een zwakke indruk maken en dat zou de verkoopcijfers weer drukken. De toehoorders verwachten nu eenmaal uitspraken over de gelaagdheid van het verhaal, de symboliese betekenissen, de apocriefe inhoud ver klaard voor arbeiders, het waarheids- en werkelijkheidsgehalte, dus mompelde hij maar wat over zijn jeugdliefde voor Remco Campert, de meest herkenbare, verstaanbare dich ter van de vijftigers die met zijn lichtvoetig, on-Nederlands proza in de zestiger jaren een way of life schiep voor een enkele lichtzinnige generatie van licht op hol te brengen modieus gekapte hoofdjes en niet snel vergeten raakte. Een andere keer vermeldde hij dat een boek geen kunstwerk hoefde te zijn maar een verhaal met een kop en een staart en een midden en hoe hij tegen de l’art pour l’art houding van al die gevierde collegaat jes was met hun experimentele proza waar de honden een brood van lustten. Dat alles met alles moest samen hangen en geen mus van het dak mocht vallen zonder reden, hetgeen hij van een beroemde Nederlandse schrijver had opgestoken die hij liever niet bij name wilde noemen om zichzelf en de licht ontvlambare allochtone weduwe-of liever gezegd; afkomstig uit de Overzeese geslachtsdelen- niet te compromitteren.

3 reacties
  1. De 1ste 100 woorden gelezen, echt grappig, maar die hele lap tekst is me te lang, mede vanwege een onbekende wiens “leven net als zijn huis een chaos” is. Heb nog zoveel ongelezen of te herlezen ijne boeken liggen!

    Like

  2. fredvanderwal permalink

    Wie schrijft die blijft
    soms
    wie leest is een grote geest

    Like

  3. fredvanderwal permalink

    Dit is op Fredvanderwal's Weblog herblogd.

    Like

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: